DEN HAAG - Op 7 juni vond de allereerste “Indonesian-Dutch Youth Dialogue for a Sustainable Future” plaats, opgericht met het doel om gebieden met een bilateraal partnerschap met jeugdontwikkeling te verkennen én om de Sustainable Development Goals (SDGs) te bereiken. Dit zijn ‘Duurzame Ontwikkelingsdoelen’ om in 2030 een eind te maken aan armoede, klimaatverandering en ongelijkheid.

Voor 2030 zijn er 17 doelstellingen bedacht die gebaseerd zijn op de zes kernwaarden: mensen (toegang tot onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen), waardigheid (tegengaan van armoede en ongelijkheid), gerechtigheid (een veilige samenleving met sterke instituten), welvaart (een sterke economie wereldwijd), samenwerken (versterken van mondiale solidariteit) en planeet (beschermen van ecosystemen).

De Youth Dialogue had het over het thema: het tegengaan van armoede en een bevordering van welvaart in de wereld.

Het evenement werd geopend door H.E. I Gusti Agung Wesaka Puja, de ambassadeur van de Republiek van Indonesië voor het Koninkrijk der Nederlanden. Daarna volgden verschillende presentaties over onder andere de jeugdraad en de ‘Duurzame Ontwikkelingsdoelen’. Er waren ook verschillende workshops te doen. Focusgroep 1 ging over een einde maken aan armoede in alle vormen en waar dan ook op de wereld. De focusgroep identificeert innovatie oplossingen en laat jonge mannen en vrouwen bijdragen aan armoedebestrijding en staat voor een bevordering van “groene” banen en ondernemerschap voor jongeren.

In een aula geven verschillende studenten hun mening over het onderwerp armoede, de nadruk ligt hierbij op onderwijs. De focusgroep zal twee onderwerpen bespreken: 1) Jeugd, wereldwijde markten en ondernemerschap: de zakelijke leiders van morgen. 2) Kwaliteit van leerlingen. Er wordt gekeken naar onderwijs in Nederland en Indonesië. Er worden papieren uitgedeeld met zestien vragen erop gericht op het onderwerp. Twee van de zestien vragen worden uitgebreid besproken: “Hoe kunnen de vaardigheden voor de zakelijke leider van morgen ontwikkelen van digitale naar zachte vaardigheden?” en “Hoe kan werkgericht leren de resultaten van de kinderen uit een plattelandsgebied verbeterd worden?”

Een van de leerlingen antwoordde: ‘’Deze vragen kunnen we nu nog niet goed beantwoorden, want er moet beter research gedaan worden. Ik snap niet dat jullie van ons verwachten om daar nu al goede antwoorden op te hebben.’’ De leerlingen geven aan dat ze wel een toekomst zien in de vragen en gaan ter plaatse op onderzoek.